+32 16 89 16 00 info@terloonst.com

Geschiedkundig

“De naam van dit middeleeuws hof lijkt ons geen zwaar probleem te stellen voor de onomastici. De benamingen Ter Loenst en Ter Loonst zijn allebei gelijkwaardig in zwang, alhoewel het gemeentebestuur opteerde voor de oo-scrhijfwijze bij de aanduiding van straten in de buurt (Terloonstvoetweg en Terloonststraat).

Even aanleunend bij een paar namen van andere gemeenten, komen we alras tot een aanneembare uitleg. In Borgloon vinden we dezelfde stam terug. Daar beduidt Loon een datiefvorm van Lo, een woord dat veel voorkomt in de toponymie. De Franse vorm Looz is meervoud van datzelfde woord, eigenlijke loo’s.

De schijfwijze met oe levert al evenmin bezwaren op. In de gemeentenaam Loenhout belet immers ook niets een vorm van Lo te zien. De term Lo of Loo is afgeleid van het Indo-Europese woord Louko of van het Germaans Lauka, die oorspronkelijk ‘open plek in het bos’ betekenden.
Later gebruikte men het woord ook voor heide, nog later voor beboste heide en zelfs voor bos in ’t algemeen.

Het suffix –t wijst op een kollektief. Wij zouden dus Ter Loenst of Ter Loonst eenvoudig kunnen omzetten in een plaats waar meerdere open plekken in het bos bestonden. In dat verband kan men denken aan de open vlakten van Wilderkouter en Hoogveld in tegenstelling met het Kampenhouderbos.

Het middeleeuwse hof Ter Loonst was eertijds een versterkte hofstde, omgeven door grachten. Gebouwd in 1162 bleef het belangrijkste gedeelte ervan bewaard en is nu nog bewoond. Oorspronkelijk was het een leengoed van de heerlijkheid van Stalle en hoorde in 1468 toe aan Adriean vanden Broeck. In een bekentenis van 16 augustus 1468 heeft het inderdaad: ‘Item vanden here van Stalle van hof geheten Ter Loenst met twelff bunderen lands daer bove gelegen onder Campenhout, geldende sjairs achtentwintigh viertelen rog’ (RAB., Leenhof Bt. 176).

In 1774 was Herman In de Schale er bezitter van (22). Later ging het over in handen van ridder vanden Dale. Op datum van 14 februari 1496/97 vonden wij een andere aanduiding betreffende dit leen: ‘Ick Lowys van Vekene woenende te Loeven certifierende mits desen mynen tegenwoordighen heere dat ick van mynen heere hertoghen daer houden ben te lennen de leenpanden hier naervolgende: indien eersten twelff landen (zes land zes beempden) ghelegen binnen der rysen van Campenhout tusschen de goede Wout Capellemans ten eerste en de Loenenscherstrate ter andere sijden, welcke twelff bunder erfs jaerlycx gelden derthien en eenen halven rijnsgulden te twintigh stuver stuck’ (RAB. Leenhof Bt. 2.306).

In 1535 kwam het in bezit van jonker Aert De Borchgrave, edelman aan het hof van keizer Karel. Dat zou trouwens aanleiding gegeven hebben tot een driedaags bezoek van Karel V, op doorreis naar Duitsland, gebeurtenis die plaatsgreep in juni 1538. De Sint-Sebastiaansgilde van Kampenhout, waarvan men beweert dat ze in haar beginperiode gehecht was aan het hof Ter Loenst, kwam er samen met de bevolking de keizer toejuichen.

Op 24 oktober 1536 legde genieter van de obrengts van dit leen volgende verklaring af: ‘Ick Peeter Nossen, priester, certificeert met desen mynen heeren van den commissarissen geordonneert bij onsen heere den keysere totten dienst der leenen ende achterleenen van Brabant, dat jonker Aert de Bourggrave beleent houdende is van myn heere van Stalle een hof ende huys, met twelf bunderen lants aen steene hof ter gelegen datmen heet thof ter loenst, gelegen onder de prochie van Kampenhout.
Diewelcke twelf buenderen lants my jaerlycx weert syn achttien mudden rogge ter mate van Mechelen, ende den bogaert is my weert jaerlycx drye ringsgulden ende niet meer’ (RAB., Leenhof van Bt. 4.546.).

In 1685 vinden wij de opbrengst terug onder de vorm van het Borggraeftiende, dat door jonker van Louis de Borchgrave bestemd was ten voordele van de fondatie Borchgraeff te Leuven, bezet op 12 bunder land gelegen achter het hof Ter Loenst en ook op de hoeve zelf (B).

De slotgrachten die het domein omringen, evenals de schietgaten van de ingangspoort, tonen aan dat Ter Loenst een versterkte leenhoeve was die, hoewel niet in staat om aan een beleg het hoofd te bieden, toch haar bewoners een schuilplaats bood bij een over verwachte aanval. De traditie zegt ons dat in de XVIe eeuw deze versterkte hoeve een landbouwuitbating was van middelmatige grootte, die zich over een veertigtal ha uitstrekte. We weten ook dat in het begin van de XIXde eeuw het domein uiteenviel en de gronden werden verbrokkeld. De gebouwen omringd door 3ha land, werden veranderd in een stokerij. Later en tot op onze dagen, is het goed dikwijls van eigenaar veranderd. Achtereenvolgens waren het de burggraven de Spoelberch, de baronnen de Pret-Roose de Calesberg, de baronnen Baudequin de Peuthy, de graven Moretus, de baronnen de Vinck de deux Orp en tenslotte mevrouw Amant-Pelgrims, die op 26 december 1956 het slot en zijn bijgebouwen verkocht aan de huidige eigenaars (72).

Wij kunnen hier nog aan toevoegen dat het kasteel bij het begin van deze eeuw eigendom was van baron Paul de Giey uit Knokke. Thans is het in bezit van graaf Guy Carpentier de Changy en gravin Consuelo de Meeûs d’Argenteuil, die het sedert 1957 met hun gezin bewonen.

In de benedenzaal treft ment nog een open haard aan, steunend op gotische pilaren met leeuwekoppen en mensenhoofden. Deze eigenaardige zandstenen schouw zou uit de 17de eeuw dateren. Nu nog wijst men u op de eerste verdieping een kamer aan, waar keizer Karel indertijd zou gelogeerd hebben. Er is een open haard met eenvoudige gotische ornamenten. Het lijstwerk van hun posten maakt het mogelijk ze in de 16de eeuw te situeren.”

Bron: Jos LAUWERS “Geschiedenis van BERG, BUKEN, KAMPENHOUT en NEDEROKKERZEEL”, uitgegeven door het gemeentebestuur van Kampenhout.
Datum tekst: 1993